Gezondheid & Infrarood

Sauna, warmte-/infraroodcabine

Wanneer men in de wellness- of de homewellness-sfeer over een toepassing voor het hele lichaam spreekt, denkt men vooral aan sauna's, stoombaden en infraroodcabines.

Tegenwoordig worden een hele reeks toepassingen op dit vlak aangeboden, die zich in de eerste plaats en vooral onderscheiden op het vlak van de binnentemperatuur, de luchtvochtigheid, de aanbevolen gebruikstijd en de verhouding van de warmtetoevoer via convectie (lucht) en infraroodstraling. De belastingen van hart en bloedvaten door die systemen lopen dan ook sterk uiteen.

Eenvoudig gesteld kunnen toepassingen voor het volledige lichaam op twee verschillende principes gebaseerd zijn of twee verschillende doelstellingen hebben:

Enerzijds de prikkeltoepassingen in de betekenis van een Kneippkuur (Finse sauna, biosauna, de traditionele infraroodcabine) en anderzijds de doorverwarmingstoepassingen (lage temperatuur infraroodcabines, WAON-therapie). Het onderscheid zit hem in de manier waarop de warmteregeling in het lichaam op de toepassing reageert.

Prikkeltoepassingen

Bij saunatoepassingen (klassieke sauna, biosauna, traditionele infraroodcabine of stoombad) worden meestal binnentemperaturen van 50 tot 90 °C gehanteerd – dus altijd boven de thermoneutrale zone. De warmte wordt daarbij in functie van de bouwwijze en het concept voor 50 tot 70 % via de verhitte lucht en voor 30 tot 50 % via infraroodstraling toegevoerd.

Sauna’s en vergelijkbare toepassingen zijn dan ook niet bedoeld om het lichaam helemaal te verwarmen (kern en omhulsel), maar wel om meer of minder sterke prikkels op het vegetatieve zenuwstelsel en de huid uit te lokken. Een essentieel aspect daarbij is de omschakeling tussen koud en warm. Daarbij worden prikkels opgewekt in huidreflexzones, waardoor stimulerende effecten op inwendige organen kunnen worden voortgebracht (het Kneipp-principe).

Bij toepassingen voor het volledige lichaam die op dit basisconcept steunen, geraakt de warmte bij een gewone toepassing nauwelijks tot in het omhulsel van het lichaam; een doorverwarming is daardoor niet mogelijk.

Problematisch voor het organisme is het feit dat het lichaam via de volledige huidoppervlakte meer warmte opneemt dan het kan afgeven. Om de kerntemperatuur op een constant niveau te houden, moet het lichaam de terugstroom van het in de huid opgewarmde bloed afremmen. Daardoor wordt steeds meer bloed ter afkoeling naar de huid doorgestuurd en is er steeds minder bloed beschikbaar voor de centrale bloedsomloop. Daardoor worden het hart en de bloedvaten zeer zwaar belast.

Wanneer de toepassing op tijd wordt beëindigd, koelt het bloed in de huid af en wordt de bloedsomloop geleidelijk aan opnieuw beschikbaar gesteld. De temperatuur van de lichaamskern blijft daarbij op een constant niveau.

Wanneer de toepassing niet op tijd wordt beëindigd, moet het lichaam het opgewarmde bloed uit de huid terugvoeren, om te voorkomen dat er een shock ontstaat in de bloedsomloop. De temperatuur van de lichaamskern kan dan ook snel in de richting van de koortszone van meer dan 38 °C stijgen. Een kunstmatige koorts is echter te vermijden – zeker wanneer dat niet onder toezicht van een arts gebeurt.

Doorverwarmingstoepassingen

Wanneer men daarentegen een goed te verdragen doorverwarming wil bereiken, mag men niet tegen de natuurlijke warmteregeling van het lichaam ingaan. Daarvoor heeft men een thermisch neutrale omgeving nodig, waarbij het lichaam zich in een thermische evenwichtstoestand ten opzichte van de omgeving bevindt en het bloed ongehinderd naar het inwendige lichaam kan stromen. Dit is echter nog geen warmtetoepassing.

Wanneer men in die omstandigheden een plaatselijk begrensde zone van de huid (in het ideale geval de rug) via niet meer dan ongeveer 10 tot 12 % van de huidoppervlakte verwarmt, wordt het thermisch neutrale bloed (uit ongeveer 90 % van de huidoppervlakte) met verwarmd bloed (uit 10 tot 12 % van de huidoppervlakte) gemengd.

Het hitte-alarmsysteem in het lichaam wordt dan niet geactiveerd, waardoor de extra warmte via het licht verwarmde bloed in het inwendige lichaam wordt toegelaten. De temperatuur van de lichaamskern stijgt dan vanaf het begin continu en langzaam.

Door een verandering van de doorbloeding wordt dan stapsgewijs de toegevoerde warmte van binnen naar buiten verdeeld (omhulsel van het lichaam: spieren, bind- en vetweefsel, botten, gewrichten enz…). Op die manier is een voorzichtige doorverwarming van binnen naar buiten (dieptewarmte) mogelijk. Zo wordt het volledige lichaam door en door verwarmd.

Door de verbeterde doorbloeding en de stijging van de temperatuur in het weefsel wordt de stofwisseling gestimuleerd en de voeding verbeterd. Samen met de transpiratie die daarbij op gang komt, worden effecten bereikt die men met de begrippen 'ontslakking' en 'ontgifting' kan omschrijven.

Deze methode (zoals die in lage temperatuur infraroodcabines wordt toegepast) heeft een ander doel dan de traditionele toepassingen voor het hele lichaam (zoals sauna, stoombad, traditionele infraroodcabine enz...) en heeft vooral bij aandoeningen van het bewegingsapparaat of in combinatie met storingen in de stofwisseling een verzachtende werking.